IEF 17389

Handelsnaam 'Royal Dutch' is misleidend gebruik predicaat 'Koninklijke'

Ktr. Rechtbank Den Haag 30 november 2017, IEF 17389; ECLI:NL:RBDHA:2017:15299 (Royal Dutch Holding). Handelsnaamrecht. De kroondrager heeft de mogelijkheid om, bij wijze van respect en waardering, het predicaat: “Koninklijke” te verlenen aan onder meer ondernemingen. Om voor een dergelijke onderscheiding in aanmerking te komen dient een onderneming aan een aantal vereisten te voldoen. Royal Dutch Holding voldoet niet aan deze vereisten. De kantonrechter is van oordeel dat de huidige Nederlandse samenleving is dusdanige mate is geïnternationaliseerd, dat het relevante publiek veel minder onderscheid zal maken tussen "koninklijke Nederlandse" en "Royal Dutch". Derhalve, veroordeelt de kantonrechter de Holding om zodanige wijziging in haar handelsnaam aan te brengen dat de aanduiding “Royal” in de handelsnaam “Royal Dutch Holding" komt te vervallen. 

4.3. Artikel 5b Hnw voorziet in een verbod van misleiding ten aanzien van aard, karakter, betekenis of voortbrengselen van de onderneming. Voorop staat dat partijen het er over eens zijn dat van zodanige misleiding sprake zou kunnen zijn als de Holding het Nederlandse predicaat “koninklijke” in haar handelsnaam zou voeren. De kantonrechter onderschrijft dit standpunt aangezien in dat geval gebruik zou worden gemaakt van een aanduiding die, naar algemeen bekend is, voorbehouden is aan ondernemingen die, na toetsing aan strikte voorwaarden, toestemming van de kroondrager hebben ontvangen om dat predicaat te gebruiken. Gebruik van het predicaat wekt dan de misleidende indruk dat voormelde toets is uitgevoerd en het predicaat van de kroondrager is ontvangen.

4.4. Gelet op het voorgaande komt het standpunt van de Holding er, kort gezegd, op neer dat zij aangesproken zou kunnen worden op het gebruik van de handelsnaam “Koninklijke Nederlandse houdstermaatschappij” maar dat zij niet aangesproken kan worden op het gebruik van de handelsnaam “Royal Dutch Holding”. De vraag is of dat standpunt in de huidige geïnternationaliseerde Nederlandse samenleving te billijken is. De kantonrechter is van oordeel dat niet goed valt in te zien waarom, als het gebruik van “Koninklijke Nederlandse Houdstermaatschappij” een onjuiste indruk zou geven van de door de Holding gedreven onderneming en daarvan misleiding van het publiek te duchten is (te weten: het ten onrechte aannemen dat de Holding een prestigieus predicaat van de kroondrager heeft verworven), dit voor de Engelse vertaling van die handelsnaam niet zou gelden. Anno 2017 is het gebruik van de Engelse taal in de Nederlandse samenleving immers zo gebruikelijk geworden dat het publiek veel minder onderscheid zal maken tussen “koninklijke Nederlandse” en “Royal Dutch”. Dat blijkt ook wel uit de onbestreden door de Stichting aangedragen feiten inhoudende dat grote Nederlandse ondernemingen als Shell en KLM zich ook binnen Nederland presenteren met een handelsnaam waarvan “Royal Dutch” deel uitmaakt. Bovendien is in de beschikking die betrekking heeft op het predicaat “koninklijke” ook al rekening gehouden met het gebruik van koninklijke in een vreemde taal, waaronder Engels, als onderdeel van de rechten die aan toekenning van het predicaat kunnen worden ontleend, ook al het gaat het in 1988 nog niet over het gebruik van “royal” in Nederland.