IEF 16957

Gerecht EU: Liechtensteinse gemachtigde toch op de lijst van erkende gemachtigden

Gerecht EU 13 juli 2017, IEF 16957; IEFbe 2251; ECLI:EU:T:2017:487; T-527/14 (Rosenich tegen EUIPO) Procesrecht. Merkengemachtigde houdt kantoor in de Unie. Beslissing van het EUIPO tot afwijzing van een verzoek om inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden.  Verzoeker, Paul Rosenich, Oostenrijks staatsburger en erkend gemachtigde bij het Österreichische Patentamt (Oostenrijks octrooibureau), is actief als octrooigemachtigde en houdt daarvoor kantoor in Liechtenstein. Zijn aanvraag tot inschrijving werd afgewezen, omdat hij geen kantoor houdt in de Unie. Uit de vijfde alinea van de preambule van de EER-overeenkomst volgt dat het grondgebied van de in de Unie verwezenlijkste interne markt wordt uitgebreid naar de EVA-staten. Het Gerecht vernietigd de beslissing van het EUIPO.

40      Ter beantwoording van het betoog van het EUIPO preciseert verzoeker allereerst dat het volgens het Liechtensteinse recht de in een lidstaat van de EER gevestigde octrooigemachtigden voor het vervullen van bepaalde formaliteiten is toegestaan om grensoverschrijdende activiteiten op het gebied van bijstand en vertegenwoordiging uit te oefenen in Liechtenstein. Het Liechtensteinse recht komt dienaangaande volkomen overeen met verordening nr. 207/2009. Zelfs al zou geen sprake zijn van wederkerigheid, kan bovendien de rechtstreekse werking van de bepalingen van de EER-Overeenkomst niet ter discussie worden gesteld.

84      Noch uit verordening nr. 207/2009, in de vóór de inwerkingtreding van verordening 2015/2424 toepasselijke versie ervan, noch uit de door het EUIPO overgelegde feitelijke en juridische gegevens blijkt immers dat het de specifieke bedoeling van de wetgever van de Unie was om personen die kantoor houden in een staat van de EVA die tot de EER behoort, zoals Liechtenstein, uit te sluiten van toegang tot de lijst van erkende gemachtigden.

85      Zoals de kamer van beroep in wezen heeft aangegeven, was het veeleer de bedoeling van de wetgever van de Unie om ervoor te zorgen dat de correspondentie tussen het EUIPO en de belanghebbende partijen aan bepaalde kwaliteitsnormen beantwoordt en voldoende betrouwbaar is. Zoals uit punt 73 supra volgt, is voor die doelstelling niet noodzakelijkerwijs vereist dat de belanghebbende kantoor houdt op het grondgebied van de Unie.