IEF 17765

Franchisegevers niet-ontvankelijk want uitsluitend formele procespartij: de holding is materiële procespartij

Hof 's-Hertogenbosch 5 juni 2018, IEF 17765; ECLI:NL:GHSHE:2018:2370 (Franchisenemers) Niet-ontvankelijk. Appellanten stellen dat de franchisenemers auteursrechtinbreuk plegen. De auteursrechten in kwestie berusten bij de holding. Appellant 1 heeft haar vorderingen in reconventie ingesteld als lasthebber van de holding. De rechtbank oordeelde dat voor een gedaagde geldt dat deze in reconventie niet in een hoedanigheid kan optreden die hij in conventie niet heeft of omgekeerd (136 Rv). Indien appellant 1 als lasthebber van de holding ontvankelijk zou worden geacht, dan zou zij in een hoedanigheid optreden die zij in conventie niet heeft. Zij is uitsluitend formele procespartij, die optreedt ten behoeve van holding als materiële procespartij. Appellanten hebben verder niet gesteld en onderbouwd waarom zij hun vorderingen kunnen baseren op de licentie die de holding heeft verstrekt. Appellant 1 is niet-ontvankelijk.

3.8.2. De rechtbank heeft aan haar beslissing ten grondslag gelegd dat [appellante 1] haar vorderingen in reconventie, voor zover die zien op de door haar gestelde auteursrechtinbreuk door de franchisenemers, heeft ingesteld als lasthebber van [holding], bij wie het auteursrecht berust met betrekking tot de documentatie waarmee binnen de [appellante 1]-organisatie wordt gewerkt. De rechtbank heeft overwogen dat [holding] (bij een tijdens de procedure in eerste aanleg opgemaakte verklaring) de last heeft verstrekt aan [appellante 1] om ‘haar auteursrechten te handhaven in de gerechtelijke procedures’ tegen onder anderen de franchisenemers. Dit heeft volgens de rechtbank tot gevolg dat [appellante 1] voor wat betreft haar op het auteursrecht gegronde vorderingen slechts geldt als formele procespartij, niet (mede) als materiële procespartij. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat artikel 136 Rv bepaalt dat een gedaagde bevoegd is om een eis in reconventie in te stellen, ‘tenzij de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd’. Volgens de rechtbank geldt ook voor de gedaagde dat deze in reconventie niet in een hoedanigheid kan optreden die hij in conventie niet heeft of omgekeerd. De rechtbank heeft vervolgens overwogen: (1) dat [appellante 1] in conventie de formele en materiële procespartij is en dat [holding] geen van beide is, (2) dat [appellante 1] in reconventie, indien zij als lasthebber van [holding] ontvankelijk zou worden geacht, voor wat betreft de op het auteursrecht gebaseerde vorderingen in een hoedanigheid zou optreden die zij in conventie niet heeft en dat [holding], die geen partij is in de conventie, in reconventie dan de materiële partij zou zijn. Volgens de rechtbank staat de regel van art. 136 Rv hieraan in de weg (zie de r.o. 4.19. en 4.20. in het vonnis waarvan beroep).

3.8.3. [appellant 2] c.s. voeren hiertegen aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante 1] voor wat betreft haar op het auteursrecht gebaseerde vorderingen niet ook heeft te gelden als materiële procespartij. Ter onderbouwing van hun bezwaar tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank wijzen [appellant 2] c.s. erop dat de auteursrechten binnen de [appellante 1]-organisatie berusten bij [holding] en dat [appellante 1], ingevolge de door [holding] verstrekte last (prod. 38 van [appellante 1] ), optreedt in eigen naam (dus als middellijk vertegenwoordiger), maar voor rekening en risico van [holding]. Het hof overweegt dat [appellant 2] c.s. daarmee de juistheid bevestigen van het oordeel van de rechtbank dat [appellante 1] uitsluitend heeft te gelden als formele procespartij, die optreedt ten behoeve van [holding] als materiële procespartij. Al hetgeen [appellant 2] c.s. heeft gesteld over de situatie waarin aan [appellante 1] ook de volmacht zou zijn verleend om op te treden in naam van [holding] kan buiten beschouwing blijven, reeds omdat een dergelijke volmacht - ook volgens [appellant 2] c.s. - niet is verstrekt.

3.8.5. [appellant 2] c.s. hebben in hoger beroep nog gesteld dat zij hun vorderingen in verband met de auteursrechtelijk beschermde trainingsmaterialen van [appellante 1] tevens (kunnen) baseren op de licentie die [holding] als houder van de auteursrechten heeft verstrekt aan [appellante 1]. De franchisenemers hebben ten verwere gesteld dat de licentie aan [appellante 1] alleen een gebruiksrecht heeft verschaft, dat niet kan dienen als basis om handhavend op te treden jegens derden. [appellant 2] c.s. hebben vervolgens, anders dan op hun weg had gelegen, geen inzicht verschaft in de inhoud van de licentie en hebben daardoor hun beroep op deze licentie onvoldoende onderbouwd.
Het hof overweegt verder, ten overvloede, dat [appellant 2] c.s. niet hebben gesteld en onderbouwd waarom zij zich thans op een door [holding] aan [appellante 1] verschafte licentie kunnen beroepen. De overwegingen inzake de overdracht door de curator in de vorige rechtsoverweging zijn hier van overeenkomstige toepassing.