IEF 17830

Foto Cruijff op omslag boek zal een kooplustopwekkend vermogen hebben

Cruijff De magere jaren

Vzr. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2018, IEF 17830 (Cruijff c.s. tegen Xander uitgevers) Portretrecht. Afwijzing. Xander Uitgevers is voornemens het boek 'Cruijff! De magere jaren 1973-1981' uit te geven met op de omslag een foto van Cruijff. De foto is niet in opdracht van Cruijff gemaakt op het sportveld tijdens zijn actieve voetbalperiode. Het boek is nog niet verschenen, maar wel aangekondigd middels online advertenties inclusief foto. Xander Uitgevers heeft, na sommatie, aangeboden een vergoeding van 10% van de netto omzet te betalen. Het gaat hier om het commerciële belang van Cruijff (verwezen wordt naar HR Cruijff/Tirion, IEF 12766), het portretrecht is geen exclusief exploitatierecht, een analoge toepassing van het beeldcitaatrecht uit het auteursrecht moet worden verworpen. Voor personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, geldt dat openbaarmaking van foto's die de beroepsuitoefening betreffen inherent is vanwege de daarmee gemoeide bekendheid en belangstelling van het publiek. Een foto voor de omslag zal een kooplustopwekkend vermogen hebben en Cruijff c.s. kunnen in beginsel aanspraak maken op een redelijke vergoeding. De aangeboden 10% van de netto omzet is een redelijke vergoeding. Vorderingen worden afgewezen.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat Cruijff als voetballer, trainer en commentator grote bekendheid had en nog steeds heeft en daarmee ook als 'publieke figuur' kan worden aangemerkt. De stelling van Xander Uitgevers dat zijn bekendheid tanende zou zijn, heeft zij niet nader onderbouwd en is ook niet goed verenigbaar met de op handen zijnde uitgave van het Boek. Dat (nog steeds) sprake is van een verzilverbare populariteit kan dan ook moeilijk worden betwist.

4.10. Xander Uitgevers heeft terecht aangevoerd dat ten aanzien van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, of zoals in dit geval hun nabestaanden, geldt dat openbaarmaking van foto’s die deze beroepsuitoefening betreffen en niet in een privésetting zijn gemaakt daaraan tot op zekere hoogte inherent is, in verband met de daarmee gemoeide bekendheid en belangstelling van het publiek. Een biografie van een dergelijke bekende figuur heeft altijd een zekere nieuwswaarde, ook, zoals in dit geval, indien het daarin vertelde verhaal niet (geheel) nieuw is, maar vooral bestaat uit samenvattingen van al eerder bekende feiten. Het ligt voor de hand dat een biografie wordt geïllustreerd met een foto van de beschrevene. Met het oog op de informatievoorziening zou het daarom een onwenseljke ontwikkeling zijn als het onderwerp van de biografie zich tegen (iedere) publicatie van zijn portret zou kunnen verzetten. Publicatie van de foto moet in dat verband (in beginsel) toelaatbaar worden geacht.

4.11. Dat neemt niet weg dat het gebruik van de foto voor de omslag, tegen de achtergrond van de eerdergenoemde ‘verzilverbare populariteit’ zeker (ook) een kooplustopwekkend vermogen zal hebben, zoals Cruijffc.s. terecht hebben gesteld. Cruijff c.s. kunnen daarom in beginsel aanspraak maken op een redelijke vergoeding voor het gebruik daarvan.

4.12. De enkele omstandigheid dat Xander Uitgevers c.s. een dergelijke vergoeding niet op voorhand heeft aangeboden — in elk geval niet voordat de sommatie van Cruijffc.s. is uitgegaan — is echter, anders dan Cruijffc.s. hebben bepleit, onvoldoende grond om (verdere) openbaarmaking te verbieden. Dit zou de mogelijkheid een biografie met een foto te illustreren belemmeren en daarmee een te vergaande, disproportionele inbreuk zijn op de uitingsvrijheid van Xander Uitgevers. Anders dan Cruijffc.s. hebben bepleit is geen sprake van bijkomende omstandigheden die moeten leiden tot een ander oordeel.

4.15. Hoewel betaling van een redelijke vergoeding door Xander Uitgevers aan Cruijif c.s. voor de publicatie van de foto, zoals volgt uit het hiervoor overwogene, gerechtvaardigd is, treft de subsidiaire vordering hetzelfde lot. Xander Uitgevers heeft aangeboden 10% van de netto omzet van het Boek als vergoeding aan Cruijff c.s. te betalen. Voorshands kan niet zonder meer worden aangenomen dat dit, voor zover dit aanbod nog geldt, niet een redelijke vergoeding is. Daarom is onvoldoende aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de door Cruijff c.s. gevorderde bedragen zal toewijzen. Deze zijn daarom in kort geding evenmin toewijsbaar, daargelaten dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het spoedeisend belang op dit punt.