IEF 16953

Exploitatie gemeenschappelijk auteursrecht teksten op website kan slechts met toestemming van andere deelgenoot

Hof Den Haag 20 juni 2017, IEF 16953; ECLI:NL:GHDHA:2017:2022 (Bronzen tuinbeelden) Auteursrecht. In het echtscheidingsconvenant tussen geïntimeerde en appellant is besloten dat de geïntimeerde de webwinkel alleen voortzet en dat er geen verdeling van de waarde plaatsvindt. Vervolgens registreert appellant een eenmanszaak bij de KvK om via zijn nieuwe website bronzen beelden te verkopen. De foto's en teksten zijn gelijkend aan die van de website van geïntimeerde. De rechtbank heeft auteursrechtinbreuk toegewezen. Appellant betwist in hoger beroep dat geïntimeerde auteursrechthebbende is m.b.t. de op haar website voorkomende foto's en teksten en de inrichting van de website. Geïntimeerde heeft onvoldoende bewijs geleverd auteursrechthebbende te zijn van de foto's, de daarop gebaseerde inbreukvordering wordt afgewezen. Appellant stelt dat hij de teksten mag gebruiken op zijn website omdat hij medeauteursrechthebbende is en/of omdat de auteursrechten voorheen in de huwelijksgemeenschap vielen. Ingevolge artikel 26 Aw jo artikel 3:170 BW geldt dat het exploitatierecht toekomt aan de auteurs gezamenlijk en de exploitatie van een gemeenschappelijk auteursrecht alleen met toestemming van alle deelgenoten kan geschieden.

11. De rechtbank heeft aangenomen dat de reclameteksten (teksten ter aanprijzing van de bronzen beelden en andere artikelen, dus de teksten genoemd in rechtsoverweging 9, onder 1 tot en met 9) auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Dat oordeel heeft [appellant] in hoger beroep niet bestreden. Hij erkent dat op (een deel van) de advertentieteksten (gezamenlijk) auteursrecht rust. Het hof verenigt zich overigens met dit oordeel op de door de rechtbank gegeven gronden. De rechtbank heeft ook aangenomen dat [geïntimeerde] als (mede)maker medeauteursrechthebbende is. [appellant] erkent dat [geïntimeerde] een aantal teksten heeft gemaakt met dien verstande dat hij stelt dat dat in samenwerking met hem is gebeurd, waarbij hij ook zijn creatieve inbreng heeft gehad. Hij betwist dat dit geldt voor alle reclameteksten, stellende dat [geïntimeerde] deze of onderdelen daarvan van websites van leveranciers of andere derden heeft overgenomen. Hij heeft echter de, met een voorbeeld (productie 1 memorie van antwoord) onderbouwde, stelling van [geïntimeerde] dat haar leverancier [leverancier X] op zijn websites “in de praktijk” volstond met vermelding van formaten, het artikelnummer en de Engelse naam van een aangeboden beeld, niet voldoende gemotiveerd weersproken, terwijl ook op de door [appellant] zelf als producties H6, H7 en H8 bij memorie van grieven overgelegde screenprints van de websites van [leverancier X] en Amazon (met foto’s 7 en 2) geen reclameteksten, althans teksten vergelijkbaar met de reclameteksten op de website van [geïntimeerde] , voorkomen. Naar het oordeel van het hof lag het onder deze omstandigheden op de weg van [appellant] om zijn betwisting nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door inzicht te geven in websites van door hem bedoelde derden, waarvan hij kennelijk ook zelf afneemt. Nu hij dat heeft nagelaten gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] (mede)maker van de advertentieteksten is. Dat [geïntimeerde] bij het maken van de teksten andere websites heeft geraadpleegd, daaruit delen heeft overgenomen en door haar gemaakte vertalingen van stukken Engelse tekst van derden (zoals de door [appellant] als productie H5 overgelegde Engelse tekst over de beeldhouwer Pautrot) heeft gebruikt doet daar niet aan af. In zoverre falen de grieven.

12. [appellant] heeft erkend dat (een aantal van) de advertentieteksten op zijn website (nagenoeg) identiek (is) zijn aan de teksten op de website van [geïntimeerde] . Dat blijkt overigens ook uit overgelegde screenprints van de websites. Hij stelt dat hij die mag gebruiken omdat hij medeauteursrechthebbende is met betrekking tot die teksten omdat hij medemaker is en/of omdat de desbetreffende auteursrechten in de voorheen tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vielen. [geïntimeerde] betwist dit. Er met [appellant] veronderstellenderwijs van uitgaande dat [geïntimeerde] en [appellant] gemeenschappelijk auteursrecht op de teksten toekomt, geldt ingevolge artikel 26 Aw juncto artikel 3:170 BW dat het exploitatierecht toekomt aan de auteurs gezamenlijk en de exploitatie van een gemeenschappelijk auteursrecht alleen met toestemming van alle deelgenoten kan geschieden. Nu vaststaat dat [appellant] geen toestemming van [geïntimeerde] heeft gekregen om de teksten te gebruiken (dat [geïntimeerde] die toestemming wel heeft wordt niet betwist en blijkt uit het in overweging 1.2 vermelde echtscheidingsconvenant), mag [appellant] deze niet exploiteren door ze op zijn website te gebruiken. In zoverre falen de grieven eveneens. De rechtbank heeft dit gekwalificeerd als auteursrechtinbreuk en [appellant] heeft geen verweer of grief aangevoerd die inhoudt dat [geïntimeerde] niet zelfstandig als deelgenoot de auteursrechten kan handhaven tegen hem als andere deelgenoot. Of [appellant] de teksten niet had mogen exploiteren op grond van het auteursrecht (welke vraag bevestigend wordt beantwoord door Spoor, Verkade en Visser, Auteursrecht, Deventer 2005, p. 480-481) en/of omdat sprake is van handelen in strijd met de (beheers)regel van artikel 3:170, leden 2 en/of 3, BW kan hier in het midden blijven, nu dit niet van belang is voor de beslissing dat [appellant] zal worden bevolen elke openbaarmaking en/of verveelvoudiging van teksten van [geïntimeerde] te staken of gestaakt te houden – openbaar maken en verveelvoudigen is niet alleen inbreuk op auteursrechten, maar ook exploitatie – en in zoverre niet tot een relevant ander dictum leidt. Het hof zal de formulering van het dictum voor zover het wordt bekrachtigd aanpassen in die zin dat het aansluit bij beide zojuist genoemde gronden. De vraag of [geïntimeerde] (mede)auteursrechthebbende is met betrekking tot andere teksten dan de hiervoor besproken (advertentie)teksten behoeft geen bespreking, nu dat ook niet tot een ander dictum leidt.