IEF 16180

Europese Octrooi Organisatie geniet immuniteit, ILOAT biedt voldoende waarborgen

Vzr. Rechtbank Den Haag 5 augustus 2016, IEF 16180; ECLI:NL:RBDHA:2016:9444 (Vakbondsunie EOB, Staff Union EPO tegen EOO) Rechtspraak.nl: De voorzieningenrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van VEOB c.s., nu voor de individuele werknemers van EOO en hun personeelsvertegenwoordigers voor in tuchtrechtelijke procedures genomen besluiten een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij ILOAT ter beschikking staat om de door het EVRM aan hen toegekende rechten effectief te kunnen beschermen en, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter niet aantast.

Als uitgangspunt moet worden genomen dat de Europese Octrooi Organisatie (EOO) op grond van artikel 8 Europees Octrooi Verdrag en artikel 3 lid 1 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de EOO voor de vervulling van haar werkzaamheden immuniteit van jurisdictie geniet. Deze volkenrechtelijke immuniteit vormt een uitzondering op het recht op toegang tot de nationale rechter. Immuniteit van internationale organisaties is gebaseerd op de gedachte dat dergelijke organisaties onafhankelijk moeten kunnen functioneren.

Bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de overheidsrechter geoorloofd is, is van belang of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen en komt het er op aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast.

4.4. In dit geding moet als uitgangspunt worden genomen dat EOO op grond van artikel 8 EOV en artikel 3 lid 1 van het Protocol voor de vervulling van haar werkzaamheden immuniteit van jurisdictie geniet. Deze volkenrechtelijke immuniteit vormt een uitzondering op het recht op toegang tot de nationale rechter. Immuniteit van internationale organisaties is gebaseerd op de gedachte dat dergelijke organisaties onafhankelijk moeten kunnen functioneren. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het verlenen van immuniteit van rechtsmacht aan internationale organisaties in het kader van de beperking van het recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6 EVRM een legitiem doel dient. Bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de overheidsrechter geoorloofd is, acht het EHRM van belang of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen en komt het er op aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast1. De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 december 2015 in de zaak tussen Leone c.s. en European Space Agency geoordeeld dat het gerechtshof Den Haag, die deze maatstaf ook had toegepast, bij zijn beoordeling een juiste maatstaf heeft aangelegd. [Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:HR:2015:3609]

4.5. De voorzieningenrechter dient in het licht van eerdergenoemde jurisprudentie te beoordelen of de rechtzoekende een alternatieve rechtsgang ter beschikking staat om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen en, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van zijn recht op toegang tot de rechter aantast. Voldoende aannemelijk is dat individuele werknemers van EOO en hun vertegenwoordigers bij VEOB c.s. voor besluiten die in tuchtrechtelijke procedures zijn genomen toegang tot de rechtsgang bij ILOAT hebben. Onvoldoende weersproken is dat werknemers bij ILOAT, naast individuele beslissingen die hen rechtstreeks raken, de rechtmatigheid kunnen bestrijden van de algemene regels waarop die beslissingen zijn gebaseerd. EOO heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat vertegenwoordigers van de werknemers van EOO in die hoedanigheid bij ILOAT kunnen klagen over regels van algemene strekking die alle werknemers van EOO gemeenschappelijk aangaan. De voorzieningenrechter overweegt dat niet gebleken is dat de alternatieve rechtsgang bij ILOAT zodanige gebreken vertoont dat het wezen van de door artikel 6 EVRM gewaarborgde rechten van VEOB c.s. op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan hen in de alternatieve rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend is. Dit betekent dat voor de werknemers van EOO en hun vertegenwoordigers een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij ILOAT ter beschikking staat.