IEF 17246

Einde samenwerkingsovereenkomst betekent niet per se einde licentie op software

Vzr. Rechtbank Gelderland 9 oktober 2017, IEF 17246; IT&R 2399; ECLI:NL:RBGEL:2017:5705 (Lizard Apps tegen Haerst en Autodidact). Lizard Apps is een IT-bedrijf dat verschillende diensten aanbiedt. Autodidact houdt zich onder andere bezig met de ontwikkeling en levering van leermiddelen aan educatieve instellingen en binnen het technisch beroepsonderwijs. De oprichters van Haerst hebben het idee opgevat om een diagnostische camera binnen de psychiatriepraktijk te introduceren en ontwikkelen. Haerst heeft in 2014 Autodidact benaderd voor de ontwikkeling van de hardware van de camera en Lizard Apps voor de ontwikkeling van de software voor de camera, waarbij Haerst zelf als projectleider zou fungeren. Medio 2017 wordt door Haerst de samenwerking met Lizard Apps beëindigd. Lizard Apps vordert schadevergoeding en het staken van het gebruik van de software door haar geleverd. Het einde van de samenwerkingsovereenkomst brengt niet mee dat de licentieovereenkomst eveneens automatisch opgezegd wordt. De licentieovereenkomst heeft te gelden als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haerst is nimmer overgegaan tot opzegging van de licentieovereenkomst, de aard van de overeenkomst staat er aan in de weg dat Lizard Apps een rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst kan doen. De camera functioneert enkel met de software van Lizard Apps en dus moet Haerst in de gegeven omstandigheden dan ook toegestaan worden om de software gedurende enige tijd te blijven gebruiken, zodat zij door een ander bedrijf vervangende software kan laten ontwikkelen. Haerst gebruikt de software ontwikkeld door Lizard Apps dus niet onrechtmatig en maakt daarmee geen inbreuk op de auteursrechten van laatstgenoemde.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat Haerst met Lizard Apps en Autodidact heeft samengewerkt bij de ontwikkeling van een diagnostische camera. [..] Vaststaat dat Haerst de samenwerking met Lizard Apps bij e-mailbericht van 3 april 2017 heeft opgezegd, zodat deze samenwerking tot een einde is gekomen.

4.4 Naast bovengenoemde overeenkomst van opdracht is tussen Lizard Apps en Haerst in één document, het contract van 27 januari 2015, zowel een zogenaamde Service Level Agreement als een licentieovereenkomst tot stand gekomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze overeenkomsten vanwege hun aard en inhoud los van elkaar en ook los van de samenwerkingsovereenkomst kunnen worden gezien. Ten aanzien van de Service Level Agreement bestaat tussen partijen geen geschil, zodat deze overeenkomst verder onbesproken zal blijven. Ten aanzien van de licentieovereenkomst heeft te gelden dat de stelling van Lizard Apps dat met het einde van de samenwerkingsovereenkomst van rechtswege tevens een einde aan die overeenkomst is gekomen niet houdbaar is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze overeenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Partijen kwalificeren deze overeenkomst in het document van 27 januari 2015 als mantelovereenkomst en ten aanzien van de duur is overeengekomen dat deze de verschillende fases overstijgt en voor een initiële duur van twaalf maanden is aangegaan en telkens met eenzelfde periode zou worden verlengd indien niet rechtsgeldig werd opgezegd.

4.5. Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is in beginsel opzegbaar, tenzij partijen hebben afgesproken dat deze niet opzegbaar is of dat de niet-opzegbaarheid uit de aard van de overeenkomst voortvloeit. Gesteld noch gebleken is dat partijen op enig moment zijn overeengekomen dat de overeenkomst per definitie niet opzegbaar is, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de overeenkomst dat wel is. Tussen partijen staat vast dat Haerst nimmer tot opzegging van de licentieovereenkomst is overgegaan. Hoewel Lizard Apps dit bij brief van haar advocaat aan Haerst van 2 juli 2017 wel stelt te hebben gedaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aard van de overeenkomst zich tegen een rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst door Lizard Apps verzet. In dat verband is van belang dat partijen al vanaf 2015 bezig zijn met de ontwikkeling van een diagnostische camera en dat de camera uitsluitend functioneert met gebruik van software. Vaststaat dat de enige bruikbare software op dit moment de software van Lizard Apps is en dat de camera dus uitsluitend kan worden gebruikt met die specifieke software. Lizard Apps heeft voor de ontwikkeling van de software alle door haar gedeclareerde uren van Haerst vergoed gekregen, ook waar deze de eerder geoffreerde uren (flink) te boven gingen. Het gaat dan ook niet aan om het gebruik van de software door het enkele beëindigen van de samenwerking tussen partijen te verbieden, juist op het moment dat de camera na jarenlang werk op de markt is gebracht en aan derde partijen is verkocht en geleverd en de kosten voor dat werk ook steeds aan Lizard Apps zijn vergoed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het Haerst in de gegeven omstandigheden dan ook moet worden toegestaan om de software gedurende enige tijd te blijven gebruiken, zodat zij door een ander bedrijf vervangende software kan laten ontwikkelen. Aannemelijk is dat het Haerst daardoor ook was toegestaan om intussen de software van de serverruimte van TransIP te kopiëren om de functionaliteit van de camera te waarborgen. Dit temeer omdat niet in geschil is dat Haerst (nog altijd) bereid is daarvoor het overeengekomen tarief van € 10,00 per camera per maand aan Lizard Apps te (blijven) voldoen. Nu voorts evenmin in geschil is dat de camera zonder software niet kan worden gebruikt, is het verschaffen van sublicenties daarvoor aan derde partijen die de camera gebruiken onontbeerlijk en handelt Haerst ook daarmee niet onrechtmatig jegens Lizard Apps.

4.6. Dit alles leidt tot de slotsom dat Haerst de door Lizard Apps ontwikkelde software niet op onrechtmatige wijze gebruikt en dat van een inbreuk op auteursrechten zoals Lizard Apps stelt geen sprake kan zijn. Het antwoord op de vraag of de door Lizard Apps ontwikkelde software kwalificeert als auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van de Auteurswet kan daarom in het midden blijven. De vordering in kort geding strekkende tot het aanstonds staken van het maken van inbreuk zal worden afgewezen.

4.7. Nu van inbreuk op auteursrechten geen sprake is, bestaat evenmin grond voor veroordeling van Haerst tot het verstrekken van de gegevens van de afnemers van de camera en tot het versturen van een brief aan haar klanten als opgenomen onder vordering III, zodat ook deze vorderingen zullen worden afgewezen. Voor het verwijderen van de bij Haerst en haar klanten aanwezige door Lizard Apps ontwikkelde software bestaat gelet op het voorgaande ook geen deugdelijke juridische grondslag, zodat deze vordering eveneens zal worden afgewezen.