IEF 15907

EFTA-adviesvraag over limiet merkenregistratie voor (bekende) beeldhouwwerken waarop geen auteursrecht meer rust

Request for an Advisory Opinion van EFTA-Gerecht 22 maart 2016, IEF 15907, IEFbe 1780, zaak E-05/16 (Vigeland park)
Advies gevraagd door Hof van Beroep Oslo voor Intellectuele Eigendomsrechten (Klagenemnda for industrielle rettigheter). Merkenrecht. EFTA (Europese Vrijhandelsorganisatie). Verlopen auteursrecht. Zeer bekende, cultureel waardevolle beeldhouwwerken. In het Vigeland park in Oslo, Noorwegen, staat het grootste beeldenpark ter wereld dat door één kunstenaar is gemaakt, Gustav Vigeland. Tussen 1907 en 1942 zijn er 212 stenen en bronzen beelden gemaakt. Het park is de populairste toeristische attractie van Noorwegen. Is de bekendheid van het werk relevant om een merk te weigeren? Geldt de richtlijn ook voor 2D-weergave van 3D-beeldhouwwerken? Moet een merk worden geweigerd op basis van sectorgebruiken of is beschrijvendheid voldoende?

1. May trademark registration of copyright works, for which the protection period has expired, under certain circumstances, conflict with the prohibition in Article 3(1)(f) of the Trade Marks Directive on registering trademarks that are contrary to 'public policy or … accepted principles of morality'?

2. If question 1 is answered in the affirmative, will it have an impact on the assessment that the copyright work is well-known and of great cultural value?
3. If question 1 is answered in the affirmative, may factors or criteria other than those mentioned in question 2 have a bearing on the assessment, and, if so, which ones?
4. Is Article 3(1)(e)(iii) of Directive 2008/95/EC applicable to two-dimensional representations of sculptures?
5. Is Article 3(1)(c) of Directive 2008/95/EC applicable as legal authority for refusing trademarks that are two or three-dimensional representations of the shape or appearance of the goods?
6. If question 5 is answered in the affirmative, is Article 3(1)(b) and (c) of Directive 2008/95/EC to be understood to mean that the national registration authority, in assessing trademarks that consist of two or three-dimensional representations of the shape or appearance of the goods, must apply the assessment criterion of whether the design in question departs significantly from the norm or customs of the business sector, or may the grounds for refusal be that such a mark is descriptive of the shape or appearance of the goods?