IEF 17178

Collectieve vergoeding 'hoofdmakers' voor video on demand afgerond

NAI Arbitrage 24 juli 2017, IEF 17178 (RODAP tegen Stichting Lira, Vevam & Norma) VOD-vergoeding. Het scheidsgerecht oordeelt dat RODAP onvoldoende heeft toegelicht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat ook andere kosten direct verband houden met het genereren van hogere opbrengsten bij de exploitatie van filmwerken via een EMS platform, in die zin dat zij rechtstreeks van invloed zijn op de lopende exploitatie van de EMS diensten. Het debat tussen partijen heeft zich vooral toegespitst op de kosten van content en op de platform en/of technische kosten. De kosten van content vormen in feite de uitgaven die gemoeid zijn met de aanschaf van de filmwerken. Die uitgaven kunnen niet worden aangemerkt als kosten voor de exploitatie van die filmwerken. Ook de platform- en/of technische kosten kunnen niet als aftrekbare kosten in de zin van het tussenvonnis worden aangemerkt. Het gaat hier vooral om kosten die exploitatie van EMS diensten mogelijk maken, deze kosten staan in onvoldoende rechtstreeks verband met hogere opbrengsten uit lopende exploitatie.

De door de VOD Exploitant verschuldigde VOD-vergoeding wordt als volgt berekend:
(Vergoedingsgrondslag X Relevant Aandeel) X Vergoedingspercentage

- Het Vergoedingspercentage is in arbitrage vastgesteld op 5,2%;
- De Vergoedingsgrondslag is vastgesteld als zijnde inkomsten exclusief btw, uitgesplitst per categorie VOD exploitatie, die gegenereerd worden door middel van de ontvangst door de VOD exploitant van de betalingen van consumenten voor de exploitatie van filmwerken. Van deze omzet wordt 25% forfaitaire kosten afgetrokken;
- Het Relevante Aandeel betreft het percentage filmwerken (met Derdenbeding) waar één of meer Hoofdmakers bij zijn betrokken ten opzichte van alle afgenomen filmwerken;  
- Met RODAP zijn afspraken over het Relevante Aandeel voor 2016-2018 al nader overeengekomen.

Leestip: punt 37, 38, 39, 41, 55, Beslissing IV.