IEF 17423

Betalingsverplichting aan omroep MAX gekoppeld aan duur van de overeenkomst

Rechtbank Amsterdam 10 januari 2018, IEF 17423 (Omroep MAX tegen gedaagden) Auteursrecht. Contracten. Muziekrecht. In 2014 heeft omroep MAX een overeenkomst met gedaagden gesloten, zodat MAX de muziek van componist B mag gebruiken in het programma Nederland in Beweging. In dit contract is bepaald dat gedaagden het via Buma/Stemra ontvangen bedrag voor deze muziek doorbetalen aan MAX. Op 31 december 2015 eindigt de overeenkomst van rechtswege en op 6 januari 2016 heeft MAX meegedeeld dat zij de overeenkomst niet verlengt. Tussen partijen is in geschil de uitleg van de overeenkomst voor wat betreft de vraag of op gedaagden nog een (door)betalingsverplichting rust na het eindigen van de overeenkomst. MAX stelt dat de betaling door gedaagden is gekoppeld aan het gebruik van de muziek tot 2016 en er met het eindigen van de overeenkomst geen einde kwam aan de betalingsverplichting. Gedaagden stellen dat de betalingsverplichting is gekoppeld aan de duur van de overeenkomst. MAX heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die tot de conclusie kunnen leiden dat de betalingsverplichting gekoppeld was aan het gebruik van de muziek.

Uit het contract:

Artikel 2    Vergoeding en verdeling inkomsten

4. Voor het gebruiken tussen 1 september en 31 december 2013 zal SMP 100% (...) van de inkomsten die SMP als muziekuitgever voor het gebruik van de Muziek door MAX daadwerkelijk heeft ontvangen via Buma Stemra doorbetalen aan MAX. Gedurende de rest van de looptijd van deze Overeenkomst zal SMP 120% (...) van de inkomsten die SMP als muziekuitgever voor het gebruik van de Muziek daadwerkelijk heeft ontvangen via Buma/Stemra doorbetalen aan MAX.

Rechtsoverweging:

4.7 Gedaagden voeren aan dat zij van meet af aan de bedoeling hebben gehad de verplichtingen tot het (door)betalen van de inkomsten te koppelen aan de looptijd van de overeenkomst. De betreffende bepalingen, aldus gedaagden, zijn in het contract opgenomen teneinde een zekere balans te creëren in de machtsposities van de verschillende partijen. De investeringsrisico's lagen volledig bij gedaagden. Zij moesten hoge kosten maken om de muziekwerken te componeren en op te nemen zonder dat zij de zekerheid hadden dat zij daarvoor een vergoeding zouden ontvangen van Buma/Stemra. Max daarentegen liep geen enkel invsteringsrisico. Zij droeg niet bij in de kosten die gemoeid gingen met het componeren en opnemen van de muziekwerken. Tegenover het risico voor gedaagden is in de overeenkomst bewust een risico voor Max verdisconteerd.

4.8 Max stelt echter dat gedaagden ná het sluiten van de overeenkomst in lijn hebben gehandeld met de (door Max gestelde) bedoeling van de overeenkomst. Uit dat handelen, aldus Max, kan worden afgeleid dat ook gedaagden altijd de bedoeling hebben gehad de betalingsverplichting te verbinden aan het gebruik van de muziek en niet aan de looptijd van de overeenkomst. Max wijst er in het bijzonder op dat B (zie r.o. 2.8) medio december 2015 nog opgave heeft gedaan van de inkomsten van Buma/Stemra over 2014 en Max heeft gevraagd om over dat jaar een factuur te versturen. Dat kort vóór het einde van het jaar 2015 om een factuur wordt vervraagd, ondersteunt, mede gelet op het feit dat een factuur met een betalingstermijn pas in 2016 opeisbaar zou worden, dat ook gedaagden veronderstelden dat de betalingsverplichting bleef doorlopen ná het einde van de overeenkomst, aldus Max. De rechtbank overweegt dat het handelen van gedaagden moet worden bezien in het licht van het (voort)bestaan van de overeenkomst, in welk geval de betalingsverplichting niet ten einde zou zijn gekomen. Vaststaat dat pas op 6 januari 2016 telefonisch aan gedaagden is meegedeeld dat de overeenkomst niet zou worden verlengd door Max. Toen B Max aanspoorde om een factuur te sturen kon hij, zo is gesteld noch gebleken, niet weten dat de betalingsverplichting in 2016 ten einde zou komen wegens het beëindigen van de overeenkomst. Aan dat handelen kunnen dan ook geen consequenties worden verbonden voor wat betreft de bedoeling van gedaagden. Dat geldt evenzo voor het voorstel van B in september 2015 (r.o. 2.6) om een financiële forecast te presenteren betreffende het jaar 2014. Ook toen was bij gedaagden niet bekend dat de overeenkomst zou eindigen per 31 december 2015. Andere feiten en omstandigheden die ondersteunen dat gedaagden in lijn met de door Max voorgestane bedoeling hebben gehandeld, zijn gesteld noch gebleken. Daarop stuit tevens af dat gedaagden redelijkerwijs moesten aannemen dat aan de overeenkomst een andere dan taalkundige uitleg moet worden toegekend. 

4.9 Het voorstaande in aanmerking genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat Max geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen die tot de conclusie kunnen leiden dat de door haar bepleite uitleg van de overeenkomst dient te worden gevolgd. Daarmee bestaat geen grondslag voor het door Max gevorderde. De vorderingen worden dan ook afgewezen.