IEF 16792

Beeldmerk BRUUT met uitroepteken die uitmondt in sierlijke onderstreping, is duidelijk verschillend

Vzr. Rechtbank Overijssel 9 mei 2017, IEF 16792; ECLI:NL:RBOVE:2017:2004 (Investeq hodn Bruut Zwolle tegen X hodn BRUUT Event) Beroep op artikel 2.20 lid 1 sub a en b BVIE en artikel 5 Handelnaamwet slaagt niet. Investeq, moeder van BRUUT, heeft het woordmerk BRUUT gekocht van Id.ea en verkoopt eigen champagne. X organiseert urban/afrohouse dancefeesten en deponeert een beeldmerk BRUUT! Het teken BRUUT! bevat weliswaar het woordmerk, maar hierachter staat een uitroepteken vermeld met daaromheen een krul die uitmondt in een sierlijke onderstreping. Er zijn dus duidelijke verschillen tussen het merk en het teken. Merk en teken zijn niet identiek. Geen sprake van soortgelijke waren of diensten en geen verwarringsgevaar. Eiser voert de naam sinds 2015, maar X gebruikt deze sinds 2012 en heeft dus een oudere handelsnaam, maar geen oudere rechten van plaatselijke betekenis ex artikel 2.23 lid 2 BVIE.

5.3. Op grond van artikel 2.20 lid 1 sub a BVIE kan een merkhouder op grond van zijn uitsluitend recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken verbieden wanneer dat teken gelijk is aan het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven. Deze bepaling ziet vooral op gevallen van namaak, waarbij het teken (vrijwel) identiek is aan het merk. Een teken is gelijk aan een merk wanneer het zonder wijziging of toevoeging alle bestanddelen van het merk afbeeldt, of wanneer in het zijn geheel beschouwd verschillen vertoont die dermate onbeduidend zijn dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument kunnen ontsnappen. Dit is in casu naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Het teken dat [X] gebruikt als merk, zijnde het teken dat hiervoor onder 2.6 is afgebeeld, bevat weliswaar het woord Bruut, maar hierachter staat een uitroepteken vermeld met daaromheen een krul die uitmondt in een sierlijke onderstreping. Er zijn dus duidelijke verschillen tussen het merk en het teken.

6.2. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. [X] stelt dat hij ‘Bruut’ al in april 2012, dus voordat Id.ea B.V. de aanvraag deed tot het deponeren van het woordmerk Bruut, als handelsnaam voerde. Hoewel uit de producties 2 tot en met 5 van [X] blijkt dat [X] in april 2012 reeds bezig was met de organisatie van het eerste evenement onder de naam ‘BRUUT!’, volgt uit deze stukken niet dat [X] op dat moment al de handelsnaam Bruut voerde. [X] spreekt in de betreffende e-mails, het budgetplan en de factuur van 27 juni 2012 over het ‘concept Bruut’ en boven het budgetplan en de factuur staat de naam Scoopz Events vermeld. Als productie 6 heeft [X] een poster overgelegd die voor het evenement van 20 juli 2012 gemaakt zou zijn, alsmede een aankondiging van het betreffende evenement op Facebook. Voor zover uit deze stukken al het voeren van de handelsnaam ‘Bruut’ kan worden afgeleid, geldt dat nergens uit blijkt dat deze stukken dateren van vóór 21 mei 2012. De voorzieningenrechter gaat er derhalve voorshands van uit dat [X] niet reeds voor die datum de handelsnaam ‘Bruut’ voerde. Aangezien evenmin is gebleken dat [X] naar het publiek toe al vóór 21 mei 2012 de aanduiding ‘Bruut’ als onderscheidingsteken gebruikte, gaat zijn stelling dat hij over oudere rechten ex artikel 6:162 BW beschikt niet op. Overigens is er, zoals hiervoor in conventie is overwogen, ook geen gevaar voor verwarring te duchten als gevolg van het gebruik van de naam ‘Bruut’ door Investeq c.s., hetgeen [X] in conventie trouwens ook zelf betoogt.